Calvijn over de natuurlijke aanleg tot religie

Livre I, chapitre III Que la cognoissance de Dieu est naturellement enracinée en l’esprit des hommes.

1. Nous mettons hors de doute que les hommes ayent un sentiment de divinité en eux, voire d’un mouvement naturel. Car afin que nul ne cherchast son refuge sous tiltre d’ignorance. Dieu a imprimé en tous une cognoissance de soymesme, de laquelle il renouvelle tellement la mémoire, comme s’il en distilloit goutte à goutte, afin que quand nous cognoissons depuis le premier jusques au dernier qu’il y a un Dieu, et qu’il nous a formez, nous soyons condamnez par nostre propre tesmoignage, de ce que nous ne l’aurons point honnoré, et que nous n’aurons point dédié nostre vie à luy obéir. Si on cherche ignorance pour ne savoir que c’est de Dieu, il est vray semblable qu’on n’en trouvera pas exemple plus propre qu’entre les peuples hebetez et qui ne savent quasi que c’est d’humanité. Or comme dit Ciceron, homme payen, Il ne se trouve nation si barbare, ny peuple tant brutal et sauvage, qui n’ayent eeste persuasion enracinée qu’il y a quelque Dieu. Et ceux qui en tout le reste semblent bien ne différer en rien d’avec les bestes brutes, quoy qu’il en soit retiennent tousjours quelque semence de religion. En quoy on void comment ceste appréhension possède les cœurs des hommes jusques au profond, et est enracinée en leurs entrailles. Puis donques que dés le commencement du monde il n’y a eu ne pays, ne ville, ne maison qui se soit peu passer de religion, en cela on void que tout le genre humain a confessé qu’il y avoit quelque sentiment de divinité engravé en leurs cœurs. Qui plus est, l’idolatrie rend certain tesmoignage de cecy. Car nous savons combien il vient mal à gré aux hommes de s’humilier pour donner supériorité pardessus eux aux créatures. Parquoy, quand ils ayment mieux d’adorer une pièce de bois ou une pierre, que d’estre en réputation de n’avoir point de Dieu, on void que ceste impression a une merveilleuse force et vigueur, veu qu’elle ne se peut effacer de l’entendement de l’homme: tellement qu’il est plus aisé de rompre toute affection de nature que de se passer d’avoir religion. Comme de fait tout orgueil naturel est abattu quand les hommes pour porter honneur à Dieu s’abaissent à tel opprobre, oubliant ceste enfleure d’orgueil à laquelle ils sont adonnez.

Jean Calvin, Institution de la religion chrétienne (ed. 1560)

 

[Nederlandse vertaling: dr. A. Sizoo]

Boek I hoofdstuk III : Dat de kennis Gods van nature in de geest van de mensen is ingeplant.

1. Wij stellen buiten geschil, dat er in de menselijke geest een zeker besef van de Godheid is en dat wel door natuurlijke ingeving; immers, opdat niemand zijn toevlucht zou nemen tot het
voorwendsel van onwetendheid, heeft God zelf in allen een zeker begrip zijner Godheid gelegd, en de herinnering daaraan gestadig vernieuwend, doet Hij herhaaldelijk nieuwe droppelen indruppen, opdat, daar allen zonder uitzondering inzien, dat er een God is en dat die hun Schepper is, zij door hun eigen getuigenis zouden worden veroordeeld, omdat zij Hem niet gediend hebben en hun leven niet aan het volbrengen van zijn wil hebben toegewijd. Indien men ergens zou zoeken naar onbekendheid met God, dan is het buiten kijf waarschijnlijk, dat een voorbeeld daarvan nergens eerder kan worden aangetroffen dan bij de stompzinnigste en van de ontwikkeling van de mensheid meest verwijderde volken. En toch is er, zoals Cicero, de bekende heiden, zegt*, geen natie zo barbaars geen volksstam zo verwilderd, of de overtuiging zetelt in haar, dat er een God is. En zij, die in andere delen van hun leven allerminst schijnen te verschillen van wilde dieren, houden toch voortdurend in zich een zekere kiem van godsdienst. Zo door en door heeft dit algemeen gevoelen aller gemoederen in beslag genomen en zo stevig is het geworteld in aller binnenste. Daar er dus van het begin van de wereld af geen enkel land, geen enkele stad en geen enkel huis geweest is, dat de godsdienst kon missen, is daarin een zekere stilzwijgende bekentenis gelegen, dat in aller hart een bewustzijn van de Godheid is ingeschreven. Ja zelfs de afgodendienst is van deze opvatting een uitnemend bewijs. Want wij weten, hoe ongaarne de mens zichzelf verwerpt om andere schepselen boven zich te vereren. Wanneer hij daarom liever hout en steen vereert dan dat men zou menen, dat hij geen God heeft, dan blijkt daaruit, dat die indruk aangaande de Godheid zeer krachtig is, die zo moeilijk uit ‘s mensen geest zou kunnen worden uitgewist, dat het gemakkelijker zou vallen de natuurlijke aandoening te breken, gelijk die ongetwijfeld gebroken wordt, wanneer de mens van die natuurlijke opgeblazenheid uit eigen beweging neerdaalt tot de allerlaagste dingen, om zo God te eren.

*  Cicero, Tusculanae Disputationes I, 13, 30; cf.  De Natura Deorum I, 16, 43.

 

Het Latijnse origineel (ed. 1559, Robert Estienne): Dei notitiam hominum mentibus naturaliter esse inditam

 

Institutio I, 3 – sensus divinitatus

 

Leave a Comment

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.